Samenvatting: Er is niemand zoals Hij, J.G. Bellet

Er is niemand zoals Hij
John Gifford Bellett (1795-1864)
Uitgeverij Medema (1979)

In Er is niemand zoals Hij zijn twee boeken van John Gifford Bellett samengevoegd: The Son of God
en The Moral Glory of the Lord Jesus. De hoofdgedachte die Bellett in het eerste deel uitwerkt, is dat
de Heer Jezus van eeuwigheid af de Zoon van God is. De aanleiding voor het schrijven van dit boek
was de dwaalleer dat de Heer Jezus pas bij Zijn vleeswording de Zoon van de Vader is geworden.
Deze dwaalleer dreigde ook de gelederen van de Broeders binnen te dringen. In dit boek bestrijdt
Bellett, ‘de nachtegaal onder de broeders’, deze verkeerde opvatting op een mooie en krachtige
manier door het getuigenis van de Bijbel te laten spreken.

Het eerste boek bestaat uit zes hoofdstukken, die uitgaan van verschillende Schriftplaatsen waarin
de Goddelijkheid en het eeuwige Zoonschap van de Heer Jezus worden voorgesteld. In het eerste
hoofdstuk vergelijkt Bellett het juiste getuigenis van de persoonlijke heerlijkheid van de Zoon van
God met de priesterlijke taak om de ark door de woestijn rond te dragen. Vervolgens toont hij aan
dat niemand God kan verklaren dan God zelf (Jh 1:18). De verborgenheid dat de Vader en de Zoon in
de heerlijkheid van de Godheid gelijk zijn en tegelijkertijd in een onderlinge relatie tot elkaar staan,
vraagt van ons gehoorzaamheid van verstand en van daden. Onze gemeenschap met God wordt
namelijk beïnvloed door onze gedachten over Gods Zoon en onze geestelijke volwassenheid wordt
onderscheiden door het beoefenen van liefde en gerechtigheid én door het kennen van de waarheid
over de Persoon van God (1Jh).

In hoofdstuk twee bespreekt Bellett de verborgen heerlijkheid van de Heer Jezus (Jh 1:14). Onder de
gestalte van een slaaf was de gestalte van God verborgen. Onder de gestalte van een
belastingplichtige (Mt 17:24-27) schuilt de gestalte van de Heer van de hele aarde (Ps 24:1). Bellett
noemt dit de omsluierde heerlijkheid van de Heer Jezus. Alleen Hij kon de gestalte van een slaaf
aannemen. Ieder ander mens is al in die gestalte. De dood had ook geen enkele aanspraak op het
vlees en bloed dat de Heer Jezus aannam, omdat in Hem geen zonde was. Hij was op geen enkele
wijze onderworpen aan de dood, maar nam deze vrijwillig op Zich. De heerlijkheid van Zijn Persoon
verleent kracht aan Zijn offer. Ook hierin ziet Bellett een vergelijking met de ark. Ogenschijnlijk was
de ark een zwak ding van goud en hout, maar tegelijkertijd was zij ook Gods sterkte en sieraad (Ps
78:61). Net als de ark is ook de Heer Jezus overgegeven in handen van vijanden. Niemand kon de ark
echter doorzoeken alsof het een gewoon voorwerp was. Zo kan ook niemand de Heer Jezus
onderzoeken alsof Hij een gewoon persoon is.

In hoofdstuk drie behandelt Bellett de zelfverloochenende gehoorzaamheid van de Heer Jezus. Hij is
de geborene, de besnedene, de gedoopte, de gezalfde, de dienende, de lijdende, de gekruisigde en
de opgestane. De Heer Jezus nam de gestalte van een slaaf aan, terwijl Hem de gestalte van God
eigen is. Met een verwijzing vanuit Hb 2:13 naar Ps 22:11-10 laat Bellett zien dat de Heer Jezus zich in
Zijn onderwerping in vertrouwen overgaf aan de onafgebroken zorg van God. Door eigen verdiensten
heeft Hij in Zijn zelfontlediging de waardigheid verkregen die Hem van nature al toekwam. Ook in de
toekomstige heerlijkheid zien wij de Heer Jezus nog als onderdanig Mens (Fp 2:11; 1Kor 15:28) en in
Zijn vreugde om de Zijnen te dienen (Lk 12:37; Op7:15-17 vgl. Jh 14:2-3).

In hoofdstuk vier gaat Bellett verder in op de verheerlijking van de Heer Jezus en op Zijn dienst aan
de heiligen. Zoals in het heiligdom alles ten behoeve van de zegen van de zondaren was (altaren,
wasvat, verzoendeksel) en alles werd gezien door cherubs, zo was dit ook zo in het leven van de Heer
Jezus. Engelen waren aanwezig bij Zijn geboorte, Zijn opstanding, Zijn hemelvaart en bij Zijn opname
in heerlijkheid. Opnieuw bogen zij zich over dit ‘verzoendeksel’. Na Zijn opstanding was Hij nog
steeds dezelfde Jezus (Hd 1:11). Nu is God geopenbaard op aarde en is de Mens opgenomen in de
hemel (Ef 4:10). Hij is aan ons geopenbaard, niet om over Hem te redeneren, maar om in Hem te
geloven, Hem lief te hebben, Hem te vertrouwen en Hem te aanbidden.

In hoofdstuk vijf behandelt Bellett de heerschappij van Christus. Zijn dood en opstanding hebben een
tweevoudige betekenis. Aan de ene kant stierf de Heer Jezus onder de hand van God (Js 53:10) en
betekende Zijn opstanding de aanneming van Zijn offer. Aan de andere kant stierf de Heer Jezus
onder de handen van mensen en betekende Zijn opstanding een bewijs van oordeel (Hd 17:31; Hb
10:31). Straks zal Hij als de Zoon des mensen terugkeren in Zijn rechterlijke glans en heerlijkheid. Wat
Adam, Abraham, David, Israël en zelfs de hele schepping verloren, zal Hij dan weer bijeenbrengen en
herstellen. De Heer Jezus verlangt ernaar om alles met de Zijnen te delen, niet alleen Zijn eer en
heerschappij, maar ook Zijn verwerping en droefheid. De gemeente kan dit nu al met Hem delen in
de Geest en straks in het zichtbare koninkrijk. Zoals Abigaïl in de arme, vervolgde David de
aanstaande koning en gezalfde van God zag, zo mag de gemeente de Heer Jezus zien.

In hoofdstuk zes, waarin hij de onderworpenheid van de Zoon bespreekt, begint Bellett met de
waarschuwing dat het gevaar bestaat dat wij de Persoon van de Heer Jezus vergeten, omdat onze
gedachten zich uitsluitend concentreren op Zijn werk. Het hart van de Heer Jezus gaat echter
persoonlijk naar ons uit en Hij verwacht dat ons hart naar Hem persoonlijk uitgaat. Alleen door het
geloof en de Geest kunnen wij de heerlijkheid van de Persoon van de Heer Jezus ontdekken. Ook al
neemt Zijn ambtsbediening een einde (1Kor 15:28), Zijn Persoon is eeuwig. De Zoon maakt deel uit
van de heerlijkheid van de Godheid. Hij diende als Dienstknecht, Hij dient als Priester en Hij zal als
Koning dienen. De Schrift toont ons een cirkel, die in volmaakte vorm terugkeert tot haar
uitganspunt. Alles wat verloren was, zal niet alleen herwonnen worden, maar in heerlijkere vorm
herwonnen worden, omdat alles wordt heroverd in de Zoon.

In het tweede deel van het boek behandelt Bellett de heerlijkheid van de Heer Jezus als mens. Deze
heerlijkheid is drievoudig: de heerlijkheid van Zijn Persoon, de heerlijkheid van Zijn ambt en de
heerlijkheid van Zijn karakter (dat is Zijn morele heerlijkheid). Niet alleen Zijn macht als God, maar
ook de tederheid van Zijn hart als Mens, trekt ons aan. Het leven van de Heer Jezus was zowel gericht
op de verheerlijking van God als op het behoud van de zondaren. De geopende hemel aan het begin
van Zijn bediening (Mt 3:16-17) getuigde van de volkomen aanvaarding van Zijn Persoon. De
geopende hemel aan het einde van Zijn bediening, zichtbaar in het gescheurde voorhangsel (Mt
27:51), getuigde van de volkomen aanvaarding van Zijn werk.

Door Mark-Jan Zwart

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.